Wat bezielt mensen eigenlijk om een wandeltocht te maken van zo’n 800 kilometer? Om daar achter te komen ging ik langs bij Remmelt Kootstra uit de Sybren Valkemastrjitte. Hij liep in juni van dit jaar de bekende pelgrimsroute naar Santiago de Compostella in het noorden van Spanje. Met als startpunt het Franse Saint-Jean-Pied-de-Port. De eerste prangende vraag was natuurlijk, waarom deze tocht?

Remmelt: “Al heel lang wilde ik deze route ooit nog eens lopen. Volgens overlevering bevindt het graf van de apostel Jakobus – een van de discipelen van Jezus – zich in de catacomben van de basiliek in Santiago de Compostella. Dat verhaal en de reisverslagen van pelgrims boeiden me. Ook was ik benieuwd of ik zo’n tocht zou kunnen volbrengen.”

Naarmate het moment van zijn pensionering als verpleegkundige in het MCL dichterbij kwam, nam die wens steeds vastere vorm aan. Nadat hij met werken was gestopt oriënteerde hij zich uitvoerig en hakte de knoop door, uiteraard in overleg met echtgenote Joke. Begin dit jaar begon hij met de wandeltraining. Van korte stukjes naar steeds grotere kringen om Wirdum heen, met een steeds zwaardere rugzak. Op 20 mei was het zover. Met de bus reisde hij via Amsterdam en Parijs naar het startpunt: Saint-Jean-Pied-de-Port. Daar werd hij ingeschreven en ontving hij een stempelboekje en de Sint-Jacobsschelp. De schelp staat in de christelijke symboliek voor wedergeboorte en wordt gezien als beeld van het graf, dat de mens na zijn dood omsluit. Als de schelp opengaat mag de mens weer opstaan. In deze plaats bracht hij ook de eerste nacht door.

Remmelt: “De eerste week was het zwaarst. De eerste loopdag met 26 km bergopwaarts de Pyreneeën in, viel me fysiek niet mee. Bovendien, wat staat je te wachten: is de route goed aangegeven, kan ik terecht in een herberg, is er een slaapplaats, hoe zit het met het eten? Trouwens, die eerste week moest ik vooral wennen aan de afwezigheid van Joke en de (klein)kinderen. Maar dat werd gaandeweg gemakkelijker. Elke dag had ik altijd wel even app-contact met het thuisfront.”

Na aankomst bij een volgende herberg of (in totaal drie) kloosters volgde hij een vast ritueel: slaapplek inrichten, een praatje met de mensen om zich heen, vuile kleren wassen en ophangen, zo mogelijk douchen. Na de avondmaaltijd trok hij zich terug met een bijbeltje en een boek. Remmelt boog zich vooral over het bijbelgedeelte Handelingen, dat ook in zijn gemeente werd behandeld – meditatie gaf hem rust en vertrouwen, ook voor de volgende dag. Verder hield hij een dagboekje bij. Daarmee kon hij – eenmaal weer thuis – zijn  ervaringen delen.

De pelgrimsroute bleek een rijke schakering van veel ontmoetingen, wonderschone vergezichten, meditatie en andere ervaringen op te leveren. Hij wandelde op met mensen uit allerlei landen of kwam ze tegen in de pleisterplaatsen. Hij ontmoette zelfs mensen uit Zuid-Korea, maar die bleven toch wat op afstand en als groep bij elkaar. Behalve pelgrims met een religieuze inslag trof Remmelt ook mensen die de drukte van het dagelijkse leven even achter zich wilden laten; soms waren ze op zoek naar een zinvollere invulling van hun leven. Of studenten die voordat ze een baan zochten, wilden nadenken over wat nu eigenlijk het beste bij hen past. Soms waren er trajecten die vrij eentonig waren. Remmelt: “Dan begon ik gauw eens te zingen. Psalm 1 bijvoorbeeld “Welzalig de man die niet wandelt in de raad der goddelozen…” Op een keer toen ik in de bergen liep, schoot me lied 121 te binnen: “Ik sla mijn ogen op en zie de hoge bergen aan…” Soms kon ik niet op een bepaalde psalmtekst komen; dan appte ik Joke of de kinderen even om het hun te vragen.”

Remmelt is een enthousiast verteller, je ziet het voor je ogen gebeuren. Zoals die keer dat hij bij een stormachtige wind een van zijn gehoorapparaten verloor; wie zulke dingen gebruikt weet wat dat betekent. Na een poos gezocht te hebben, liep hij toch maar verder. Even later hoorde hij luid gefluit. Een eind achter hem liep iemand te zwaaien. Het bleek een mede-pelgrim te zijn die hem in de verte had zien zoeken, zelf op die plek ook even om zich heen was gaan kijken en het apparaatje warempel had gevonden. “Een godswonder”, lacht Remmelt. Zo nu en dan kon hij met zijn medische achtergrond andere pelgrims praktische tips en adviezen geven. Een enkele keer zelfs zo dat iemand die zich er eigenlijk al mee had verzoend om te stoppen, toch verder kon.

Welk gevoel bekroop hem toen hij het eindpunt had bereikt? Remmelt: “Eerlijk gezegd viel de aankomst me een beetje tegen. Ik kwam aan op een groot leeg plein voor de basiliek en dacht: is dit het nu? De bezichtiging van die kathedraal maakte echter veel goed. Een schitterend gebouw met prachtig gebrandschilderde ramen. In de crypte onder het altaar zag ik het kistje staan met de resten van de apostel Jakobus. Ben toch wel benieuwd wat daar nu echt in zit.” Zijn laatste zondag woonde hij een dienst bij in diezelfde kathedraal, een indrukwekkende viering. Volgens traditie wordt elke zondag afscheid genomen van de pelgrims. Op een gegeven moment werd een groot wierookvat omhoog gehesen. De wierook verspreidde zich door de gehele kerk als teken van verbondenheid van alle pelgrims.

Arie