In ons kerkblad Op ‘e Hichte staat in de maand februari onderstaande column:

Wanneer bent u een gelovig mens geworden – liggen de wortels in uw jeugd omdat u opgegroeide in een gezin, waar kerkgang normaal was en bij elke maaltijd werd gebeden? Toen u catechisatie en christelijk onderwijs volgde? Met enige afgunst merk ik dat velen van u liedteksten kennen die ze vroeger hebben geleerd. En later, konden uw geloofsopvattingen de tand des tijds doorstaan of veranderde uw Godsbeeld in de loop van de tijd?

Jaren geleden vertrouwde een ouder gemeentelid me op een wijkcontactmiddag eens toe, dat ze in haar opvoeding geen persoonlijk geloof had meegekregen. Persoonlijke gebeden bijvoorbeeld werden bij haar thuis nooit uitgesproken. Ook werd niet gepraat over geloofsvragen die er natuurlijk wel waren. De God uit de Bijbel was voor haar een God op afstand. Haar verwachting dat geloven gemakkelijker zou worden naarmate je ouder werd, kwam niet uit, God bleef een God op afstand.

Zelf weet ik eigenlijk niet goed wanneer het geloofszaadje bij mij werd geplant. Bij ons thuis werd niet gebeden en we gingen ook niet naar de kerk. Behalve naar de kerstviering dan, in de Huizumer dorpskerk. Dat was toch wel een belevenis: bomvolle kerk, veel kaarsen, prachtig versierde kerstboom, mooie versjes en alle kinderen kregen iets mee naar huis. Vreemd genoeg herinner ik me uit mijn jeugd nog altijd de verfilmde, vermakelijke verhalen van Don Camillo, een Italiaanse dorpspastoor. Gespeeld door de acteur Fernandel, gezegend met een hartveroverende brede glimlach. Deze pastoor stond op de bres voor de armere bevolking, beende met zevenmijlslaarzen naar het onrecht waarbij zijn ruime zwarte habijt om hem heen fladderde. Voor die tijd stevig taalgebruik werd doorgaans gevolgd door korte, gemompelde schietgebedjes. Misschien dat ik uit die tijd heb meegekregen dat humor ook een facet kan zijn van geloof.

Achteraf gezien zijn het mensen om mij heen geweest, die door de jaren heen als wegwijzers hebben gefungeerd. Wat precies de vonk was waardoor ze iets van geloof overbrachten valt moeilijk te zeggen. Was het de liefde, de mildheid tegenover de ander, de integere niet ophoudende zichzelf wegcijferende inzet voor onze gemeente, een zoekende vrijmoedigheid bij geloofsvragen? Misschien een combinatie ervan. Vreemd, waartoe mijmeringen je aan het begin van het jaar kunnen brengen. Wat als ik destijds geen gelovige levenspartner had ontmoet– zou ik dan aan de zoektocht naar God zijn begonnen? We hebben het in dit blad al eerder gehad over toeval of lotsbestemming. In mijn geval toch het laatste?

Arie