Deel met elkaar
het brood,
het leven
in het volle licht.

Wie twee stel onderkleren heeft, moet delen met wie er geen heeft, en wie eten heeft moet hetzelfde doen.
(Lucas 3:11)

Als je de toespraak van Johannes begint te lezen, kun je je maar zo afvragen waar het eindigt. Vruchten voortbrengen, een komend oordeel, een bijl die aan de wortel ligt. Stevige woorden, maar wat bedoelt
Johannes ermee? Dat is precies de vraag van de aanwezigen: ‘Wat betekent dit concreet? Wat moeten
we doen?’ Johannes maakt grote woorden klein: heb je twee stel onderkleren, dan geef je een daarvan aan wie er geen heeft. Voor je eten geldt hetzelfde. Het koninkrijk van God is geen luchtfietserij. Geen grote woorden over een ideaal dat nooit werkelijkheid kan worden. In het koninkrijk van de Heer draait het om een toekomst die nu al begint door wat wij doen: delen van wat je hebt, genoegen nemen met wat je krijgt.

“Doper, wat moeten
wij doen totdat Hij komt?
‘In hoop en vrees doet boete,
geloof in Zijn verbond.’
Doper wat moeten
wij doen totdat Hij komt?
‘Deel met elkander
het brood van alledag,
opdat in u de ander
Gods heil aanschouwen mag.
Deel met elkander
het brood van deze dag.’ ”

Lied 456: 5, 6