Groen ontluikt de aarde uit het slapend graan,
nu de zon de zaden roept om op te staan.
Liefde staat op, wordt wakker uit de dood.
Liefde draagt, als koren, halmen, vol en groot
 
Onder steen bedolven lijkt de liefde Gods.
Rest haar niets dan rusten in de harde rots?
Diep in het graf is Hij de weg gegaan
van het zaad dat stervend nieuw ontkiemt tot graan.
 
Zaad van God, verloren in de harde steen
en ons hart, in doornen vruchteloos alleen –
heen is de nacht, de derde dag breekt aan.
Liefde staat te wuiven als het groene graan.

Liedboek, Lied 625