Zeven keer barmhartigheid

Er is moed voor nodig om een vreemde echt welkom te heten. In de eerste plaats, omdat je iemand niet kent en in de tweede plaats, omdat iemand jou niet kent.
Jij bent namelijk net zo goed een vreemdeling voor die ander. De eerste stap is
dus om elkaar te leren kennen. Dat kan pas, als je iemand echt durft te zien. Een mens net als jij, met mooie en minder mooie kanten.
En tenslotte: als je de ander toestaat jou echt te zien. Een mens, net als hij, met mooie en minder mooie kanten. Als dat lukt, dan gaat de rest vanzelf.

‘Ik was een vreemdeling en jullie namen mij op’
Mattheüs 25:35
De gave van de gastvrijheid is op sommige plekken mensen ruimhartig toebedeeld. Het lijkt bijna in de genen te zitten om je deur te openen voor wie langskomt en voor even een plek zoekt. In de Bijbel vind je er volop verhalen over. Mensen onderweg, die onderdak krijgen, omdat je iemand niet in de kou laat staan. Wanneer Jezus bijvoorbeeld met twee mannen vanuit Jeruzalem naar Emmaüs loopt en het al donker begint te worden, wordt hij van harte uitgenodigd voor
de maaltijd. Diep in de traditie van Israël zat verweven dat ze ooit in Egypte zelf ook vreemdeling waren. En misschien begint het daar wel: het besef dat je als
mens een voorbijganger bent, een vreemdeling op aarde. Wie dat heeft ervaren streeft niet naar behoud van eigen huis en haard, maar kan letterlijk en figuurlijk
ruimte geven aan wie onderdak zoekt.