De dienst van zondag, 23 augustus blijkt niet uitgezonden te zijn. Hierbij een ingekorte versie daarvan.

We krijgen er niet zo vaak meer één, een brief. Een brief van ene Jacobus. Hij staat wel in de Bijbel, maar er wordt niet zo vaak in de kerk uit gelezen. Jacobus – wie? Ja, dat is een goede vraag. Er komen meerdere Jacobussen in aanmerking, maar zeker is het niet welke precies de schrijver is. Het kan ook nog een anonieme schrijver, die onder de naam van Jacobus schreef. Het lijkt het meest waarschijnlijk te zijn dat deze Jacobus broer van Jezus was, die in de gemeente van christenen uit de Joden in Jeruzalem een grote rol speelde, en

De preek

ook buiten Jeruzalem goed bekend was.  Een brief uit lang vervlogen tijden dus die bij ons komt binnenvliegen en op onze schouders neerstrijkt alsof er geen eeuwen en eeuwen tussen zaten. De brief lijkt wel een beetje op een fladderende, kleurrijke vogel, dansend in de lucht, die hier en daar éven landt en dán weer het luchtruim kiest. Er is niet veel logica in te ontdekken, maar des te meer verbeelding en creativiteit.

Deze brief wordt ook wel een ingewikkeld mozaïek genoemd van allerlei ingelegde en op zijn geheel eigen wijze geordende steentjes. Deze Jacobus heeft van alles wat hij in de overlevering heeft aangetroffen verzameld als een soort schatgraver en dat opnieuw geordend en daar een brief van gemaakt als zijn eigen kunstwerk. Maar ís dat dan wel van hemzelf zou je kunnen vragen? Wat van hem is, is dat hij alle losse stukjes die hem aanspraken opnieuw geordend heeft op zijn manier, en dat zó heeft gedaan dat er wel degelijk een boodschap uit spreekt die hij zelf wil overbrengen.

Maar is dat mozaïek dat hij heeft gecomponeerd dan wel een brief? Nee, eigenlijk niet. Het lijkt wel op een brief, maar het is niet een echte brief geworden. We zien alleen aan het begin een aanhef en begroeting als van een brief: Van Jakobus, dienaar van God en van de Heer Jezus Christus. Aan de twaalf stammen in de diaspora. Ik groet u. Aan het eind van de brief niks wat groeten en goede wensen betreft.

Jacobus schrijft ook niet aan een bepaalde geadresseerde, aan één bepaalde gemeente ofzo, maar aan de 12 stammen in de diaspora, dat betekent in de verstrooiing. Je kunt denken aan alle christenen die overal en ergens wonen in en buiten Jeruzalem.

Deze brief is ook heel joods. De 12 stammen en de naam Jacobus doen ook denken aan de Jacobus, Jacob uit het Oude Testament, en aan de 12 zonen van Jacob, de 12 stammen van Israël: voor heel Gods volk is deze brief bestemd.

In de aanhef van deze brief staat nog iets heel belangrijks: ‘Van Jakobus, dienaar van God en van de Heer Jezus Christus’ Zo, als dat niet meteen duidelijk zijn missie laat zien, die hij gaat ontvouwen. Hij wil dienaar van God van Jezus Christus zijn. Niet zweverig, niet overdreven vroom, maar aards en nuchter, praktisch en doorleefd. Het is een brief vol aansporingen en bemoedigingen, bedoeld om de geloofsgemeenschap op te bouwen. Om samen te volharden in geloof, hoop en liefde.

Een paar accenten uit het eerste hoofdstuk: “Alleen horen is niet genoeg, u moet wat u gehoord hebt ook doen”. Jacobus heeft het niet op vrome praatjes, want praatjes vullen geen … u snapt het. Daar heb je nog net niks aan. Als woorden geen effect hebben, geen uitwerking hebben in wie je bent, in hoe je leeft in deze wereld, wat hebben ze dan voor zin? Maar als je ze hoort en eruit en ernaar leeft, dan word je daar gelukkig van, juist om wat je doet, zegt Jacobus.

Jacobus verwacht de komst van de Heer, ziet daarnaar uit, beziet alles in dat licht. Als kracht in moeilijke tijden, hopend op de lauwerkrans van het leven, zoals God heeft beloofd aan iedereen die hem liefheeft. Blijf daarom trouw aan het woord dat in je geplant werd, het woord waardoor God ons tot leven wil roepen. Dien God en mensen.

Jacobus schrijft aan een gemeente die vooral bestaat uit mensen die het niet breed hebben. Over armoede en rijkdom schrijft hij hier: “Laat de onaanzienlijke gelovige trots zijn op zijn hoge waarde, en de rijke op zijn nederige staat, want hij zal vergaan als een bloem in het veld.” Kijk met andere ogen naar armoede en rijkdom.

Laat je niet verleiden door wat je hart allemaal wel niet begeert, maak je niet schuldig aan wangedrag. Wees zachtmoedig. En beteugel je tong, weet dat je woorden ten goede en ten kwade kunt gebruiken. Kraam net alles der samar út, ek wurden hawwe ommers harren útwurking!

Zo buitelt het in zijn brief over elkaar heen aan spreuken, goede raad en bemoedigingen. Aan het eind van het eerste hoofdstuk vraagt Jacobus: Komt een van u wijsheid tekort?  Vraag God erom en hij, die aan iedereen geeft, zonder voorbehoud en zonder verwijt, zal u wijsheid geven.

Laten we dus maar blijven zingen en bidden:

Geest van hierboven, leer ons geloven
hopen liefhebben door uw kracht
hemelse vrede, deel u nu mede
aan een wereld die u verwacht.

 Met vriendelijke groet,

jo/dyn dûmny, Wiebrig de Boer-Romkema