Deze tijd leent zich er ook voor om eens even op te ruimen. Deze coronatijd bedoel ik dan en deze tijd vlak voor het simmerskoft. Wat ligt er nog wat aandacht vraagt? Zo stuitte ik nog op een aantal vragen van gemeenteleden over de zegen, die ik verzameld heb in de loop van de tijd om nog eens wat over te schrijven voor ons kerkblad. Hierbij een stukje over die vragen. Het zijn er drie:

  1. Er was een gemeentelid die niet wist dat zending en zegen bij elkaar horen in de liturgie en zich afvroeg waarom dat eigenlijk zo is.
  2. Ga dan heen als gezegenden om tot zegen te zijn”, zeg ik vaak aan de zegen vooraf. Maar …een zegen voor een ander zijn: hoe doe je dat?
  3. Als wij een tafelgebed bidden voordat wij delen in de Maaltijd van de Heer, dan staat er soms in dat tafelgebed: ‘Wij zegenen U God”. Wat wil dat zeggen? God zegent òns toch?

Het laatste woord in de liturgie is aan zending en zegen. De gemeente van Christus is immers een gezonden gemeente. Toegerust voor haar taak in de wereld, mag ze weer op weg gaan, om het te wagen met wat in de liturgie ontvangen werd.

We gaan als gezegenden. Zegenen betekent letterlijk ‘goed (naar iemand toe) zeggen’. Er word je iets toegezegd, toevertrouwd, een opdracht gegeven voordat je weer de wereld ingaat. Ons woord zegen komt van het Latijnse signare = (een kruis) tekenen. Zegenen is niet alleen een woord, maar ook een gebaar. De zegen is als een omarming van God, zoals Jezus de kinderen omarmde en hun de handen oplegde en zegende (Marcus 10:16), vol van liefde en goedheid. In de zegen gaat de zon van Gods genade en vrede gaat over je op, Zijn aandachtige ogen zijn op jou, vol licht. Zuster Christianne Méroz uit de monastieke communiteit Grandchamp zei: “De zegen is de glimlach van God”

De Eeuwige zegene en behoede u…

Het is geloofstaal, die ons aanzegt dat we nooit zonder reisgenoot zijn. Al gaat mijn weg door een donker dal, ik vrees geen gevaar want u bent bij mij, zegt psalm 23. Het roept ook psalm 121:8 op: “De Heer houdt de wacht over je gaan en je komen van nu tot in eeuwigheid”. Zegenen behoed je niet voor je weg, die ook door de woestijn kan gaan. Je kunt wel verzekerd zijn van Zijn gaan-met-jou, door water én woestijn.

Mensen die elkaar zegenen, zeggen elkaar Gods nabijheid toe. En proberen dit waar te laten worden door zelf tot zegen te zijn, om vrede te brengen en lichtgevend te zijn, om moed in te spreken, om reisgenoot voor elkaar te zijn. Zegenen betekent de ander het goede toezeggen, de ander hooghouden. Elkaar helpen om weer op te staan.

Na de dienst in de kerk worden we weer uitgezonden, om op weg te gaan in vrede en om God lief te hebben en te dienen. Dan begint je dienst in de wereld. Om het op straat en thuis, op het werk en waar dan ook waar te maken wat je ontvangen hebt. Zoals een oud gebed van de Indiase Thomas-christenen het zegt:
                   
Geef ons, o Heer,
dat de oren die U hebben horen prijzen
gesloten zullen zijn voor de stem van haat en nijd,
dat de ogen die uw grote liefde hebben gezien
ook uw toekomst zullen aanschouwen,
dat de tongen die U de lof hebben toegezongen
voortaan getuigen zullen van de waarheid,
dat de voeten die in uw huis hebben gestaan
voortaan zullen gaan op de wegen van het licht,
dat de handen die uw gaven hebben ontvangen
zich zullen openen voor allen die wachten op liefde …

Als wij dan bidden, bijvoorbeeld in een tafelgebed bij de Maaltijd van de Heer, ‘Wij zegenen U’ God”, wat betekent dat? In de Bijbel zegent ook de mens de Eeuwige. In de Joodse traditie wordt God veelvuldig met een zegen (Hebreeuws beracha) toegesproken. Het helpt om steeds bewust te zijn van het leven als gave van God, om bewust met dat geheim te leven. Zegenen is Gods naam loven, hooghouden, onze dankbare verwondering uitdrukken, ons leven, onze naam ook met Zijn naam willen verbinden. En de verwachting levend houden dat zijn zegen er nu en ook in de toekomst zal zijn.

 De zegen van God is misschien wel het mooiste, het eerste en het laatste, wat je elkaar voor de reis kunt toewensen. Het is vaak ook zo’n ontroerend gebaar. Om te geven en om te ontvangen. Zegenen is wederkerig. Een collega pastor van mij in de zorg riep soms uit als hij weer naar de afdelingen van het ziekenhuis ging: “Ik ga even zegenend rond!”. Hij had een prachtige combinatie van ernst en humor. Ik merkte aan hem dat hij daar veel mee gaf, maar dat hij er minstens evenveel aan ontving. Wat herkende ik dat. Hoe vaak was het niet dat waar ik iemand zegende, diegene mij ook zegenend toesprak. Hoe helend kan die ervaring zijn.

Goede reis deze zomer, met jezelf, met een ander, met de Ander!
Thuis of onderweg. Wees gezegend, waar je ook heen gaat (lied 814)

Vragen zijn altijd van harte welkom, stel ze gerust.
Je begrijpt dat mijn verzameling inmiddels weer aardig ‘opgeruimd’ is…

Met vriendelijke groet,

jo/dyn dûmny, Wiebrig de Boer-Romkema