Opstanding van Jezus. Johannes 20:1-18
De eerste berichten over de opstanding zijn vol verwarring. Bij veel mensen leeft wel verlangen naar een leven na de dood. De hoop dat hun geliefden niet verloren zijn in het eindeloze niets. In Israël leefden er gemengde gedachten over de dood. De dood als einde, ‘de doden loven u niet, zij die in het graf zijn afgedaald verlaten zich niet
op uw trouw’, bidt Hizkia in Jesaja 38. De opstanding als mogelijkheid: de Farizeeën geloven erin, de Sadduceeën ontkennen het. En dan is er opeens het bericht over een leeg graf, de ontmoeting in de tuin. Jezus leeft, zichtbaar, tastbaar, herkenbaar. Hij is aanwezig, lijfelijk, met een verheerlijkt lichaam in een verheerlijkt bestaan, doorademd met Gods glorie en met herkenbare littekens. Zo breekt hij door in ons
gesloten wereldbeeld. De schok is groot, maar de daaropvolgende vreugde niet te stuiten.

Bij de schikking
Net als in de lezingen bij de vierde zondag staat ook op eerste paasdag ‘het zien’ centraal. Jezus leeft, hij is zichtbaar, herkenbaar en tastbaar! Ook in deze schikking wordt de stip het oog, de pupil. Rond het oog ontstaat een krans van kleinere ‘ogen’: glazen flesjes met een kleine witte Gerbera. Het weefsel is levend geworden door de
bloesemtakken.